
50 Jaar Medische Fysica
bij de Universiteit van Amsterdam
Donderdag15 december 2005 Collegezaal 1 AMC
Symposium
Het medisch-fysisch en
medisch-technologisch onderzoek
13.30 - 15.30 uur
Feestelijke toespraken
16.00 uur tot 16.30 uur
Receptie
16.30 - 18.30 uur
Galerij bijCollegezaal 1 AMC

Henk van der Tweel, 1955-1986

Jos Spaan
1986…heden
Symposium
Het medisch-fysisch
en medisch-technologisch onderzoek
13.30 - 15.30 uur
Dagvoorzitter Prof. dr. ir. Jos A.E.
Jos Spaan, afdelingshoofd Medische Fysica
Voordrachten
Analyse en voorspelling van de beweeglijkheid van het polsgewricht
Dr. ir. Geert J. Streekstra, Afd. Med. Fysica
De Afdeling Medische Fysica en de Fysische Radiotherapie-groep van het Nederlands Kanker Instituut
Prof. dr. Marcel B. van Herk,
Afd. Med. Fysica
Van pompen en buizen tot hart en vaten: Medische Fysica als
partner in de beoordeling van coronair vaatlijden Dr. Maria Siebes,
Afd. Med. Fysica
Structuur en functie van kleine bloedvaten: de rol van
vaatwandmechanica
Prof. dr. Ed van Bavel, Afd. Med. Fysica
Vaatwandbescherming ter voorkoming van vaatziekten
Dr. Hans Vink, Afd. Med. Fysica
Enige historie van het Laboratorium voor Medische Fysica
Prof. dr. ir. Kees A. Grimbergen, Afd. Med. Fysica
Fysiologische beoordeling van kransslagaderlijden
Prof. dr. Jan J. Piek, Afd. Cardiologie
Enkel, Orthopedie & Medische Fysica
Prof. dr. C.N. van Dijk,
Afd. Orthopedie
Toespraken
Mw. prof. dr. L.J. Gunning-Schepers, Voorzitter Raad van Bestuur AMC
Prof. dr. D.J. Gouma, Voorzitter Divisie CHOPIN
Prof. dr. prof. dr. K.J.F. Gaemers, Decaan Faculteit der Natuurwetenschappen Wiskunde
en Informatica (FNWI)
Prof. dr. O. Estévez Uscanga, emeritus hoogleraar Medische Informatiekunde
Prof. dr. J. Strackee,
emeritus hoogleraar Verwerking van Medisch-Biologische
Informatie
Mw. M. van der Tweel
Dagvoorzitter: Epiloog en sluiting
Analyse en voorspelling van de beweeglijkheid
van het polsgewricht
Geert Streekstra
Uit eigen ervaring weten we dat een goed functioneren van
het polsgewricht essentieel is bij het uitvoeren van manuele taken. Late
ontdekking van problemen in de pols resulteert vaak in onherstelbare schade aan
het gewricht.
Een analyse van
dynamische bewegingpatronen in het polsgewricht in combinatie met behandelingsplannen
gebaseerd op biomechanische principes van het polsgewricht kan de kwaliteit van
de diagnose bij polsproblemen verbeteren en leiden tot betere beslissingen met
betrekking tot de behandeling.
Ten behoeve van de
detectie van bewegingspatronen in het polsgewricht hebben we een methode
ontwikkeld waarbij de rotatie van een 3Dröntgensysteem wordt gesynchroniseerd
met een opgelegde 3D periodieke beweging van de carpale
botten. De resultaten van segmentatieprocedures en de gedetecteerde
bewegingspatronen vormen het uitgangspunt voor een patiëntspecifiek model van
het polsgewricht dat zal worden gebruikt om de diagnose te ondersteunen maar
ook voor het voorspellen van de uitkomst van chirurgische procedures.
De Afdeling Medische Fysica en de Fysische Radiotherapie-groep
van het Nederlands Kanker Instituut
Marcel van Herk
Radiotherapie met een nauwgezette balans tussen doden van de tumor
met hoogenergetische (fotonen)straling en zo min mogelijk schade aan de
omringende gezonde weefsels, luidde grootschalig computergebruik in. Rond 1975
begon een groepje jonge fysici van het NKI/AVL met hun promotor
Prof. Jan Strackee op het computercentrum 'SARA'
van VU en UVA te werken aan rekenmodellen van de bestraling van tumoren en
doses voor elektronenbundels. Later kwam daar de bewerking van de beelden van
de Elektronische Röntgencamera’s (zie figuur) bij.
Computers werden snel beter, en in enkele seconden konden we
Röntgenfoto’s bewerken en vergelijken, wat ook van belang was voor het AMC. Door mijn dubbele aanstelling vindt kennis van het
NKI/AVL op gebied van beeldregistratie en visualisatie nu makkelijk
zijn weg naar diverse AMCprojecten, zoals het cryomicrotoom-, hersenschade- en pathologieonderzoek.
Anderzijds vinden AMC technieken nu ook toepassing in het NKI/AVL.
Prototype uit 1984 van elektronische röntgencamera metvloeistofgevulde ionisatiekamers met een hoofdfantoom.
Van pompen en buizen tot hart en vaten:
Medische Fysica als partnerin de beoordeling
van coronair vaatlijden
Maria Siebes
De vloeistofmechanica van arteriële stenoses
is al jaren het onderwerp van onderzoek door ingenieurs geweest, inclusief
uitgebreide modellering, in vitro studies, en in
vivo validatie van coronaire bloedstroom. De
klinische implementatie is echter gecompliceerd door meerdere factoren: toegang
tot menselijke data en interventies zijn gelimiteerd door technologische
beperkingen en patiëntenveiligheid; zieke vaten reageren op acute en langdurige
invloeden van hemodynamische condities en
farmacologische prikkels; en interactie van
controlemechanismen kan de gemeten variabelen en de interpretatie van de data
direct beïnvloeden. De ultieme uitdaging is de combinatie van kennis van
fysische effecten met kennis over coronaire pathofysiologie
van coronair vaatlijden. Ons werk is op het interessante grensvlak van
fundamenteel en klinisch onderzoek en past een
ingenieurmatige benadering en modelvorming toe op klinische gegevens. Recente
technologische vooruitgang heeft onze mogelijkheden voor onderzoek in het catheterisatie lab fors uitgebreid. Nieuwe gereedschappen
en instrumenten uitgerust met miniatuur sensoren kunnen in de zieke coronairarterie worden ingebracht voor het verkrijgen van hemodynamische, morfologische, en biologische informatie.
Deze kan dan met modellen geïntegreerd worden. De acceptatie van een nieuwe
methode voor diagnose en therapie van coronair vaatlijden in het catheterisatielab hangt vaak af van het inzicht van
cardiologen omtrent coronaire hemodynamica
en relevante fysiologische modellen. Uiteindelijk moeten deze methoden niet
alleen aantoonbaar klinisch effectief zijn, maar ook economisch verantwoord.
Multidisciplinair teamwork, ook met de industrie is daarom essentieel om van lab-onderzoek tot klinisch toepasbaarheid te komen.

Coronair
OCT beeld

Computermodel
Structuur
en functie van kleine bloedvaten: de rol van vaatwandmechanica
Ed van Bavel
De kleinere slagaders regelen de doorbloeding van de diverse
organen. Dat gebeurt op de korte termijn door vaatvernauwing of verwijding, en
op de lange termijn door structurele aanpassingen. Locale krachten blijken
daarbij een rol te spelen: Een verhoging van de bloeddruk, en daardoor van de
krachten in de wand, activeert vasoconstrictie.
Anderzijds leidt een hogere doorstroming via de afschuifspanning op het endotheel tot vasodilatatie. Deze
processen zijn relevant voor cardiovasculaire pathologieën.
Zo leidt hypertensie tot vernauwing van de bloedvaten (en vice
versa!), terwijl ook een verstoorde endotheelcel functie, zoals voorkomt in
diabetes, resulteert in te nauwe bloedvaten en beperking van de bloedtoevoer.
Wij proberen de werkingsmechanismen van deze mechano-sensitiviteit
te ontrafelen met behulp van een combinatie van fysische, functionele en
moleculair biologische benaderingen.

Opstelling voor functionele metingen aan kleine bloed-vaten.

Microscopische opname van een klein bloedvat waarin druk en doorstroming worden
opgelegd via twee canules.
Vaatwandbescherming ter voorkoming van
vaatziekten
Hans Vink
Slechts de helft van de hart- en vaatziekten kunnen worden
verklaard door de bekende risicofactoren, zoals hypertensie, diabetes mellitus, hoog cholesterol gehalte, roken, te weinig
beweging en overgewicht. Bovendien kan maar bij een kwart van de patiënten met
hart- en vaatziekten door medicamenten voorkomen worden dat zij bijvoorbeeld artheriosclerose krijgen. Er is dus nog steeds veel
onduidelijk over het voorkomen en het behandelen van hart-en
vaatziekten. De glycocalyx, een gelachtige laag
tussen het stromende bloed en de vaatwand, lijkt een belangrijke rol te spelen.
Maar wat is dit precies en hoe werkt het?

Links een doorsnede van een vat en rechts een uitvergroting van de wand met de sliert-achtige matrix van de glycoalyx.
Enige historie van het Laboratorium voor Medische
Fysica
Kees
Grimbergen
Het Laboratorium voor Medische Fysica is begonnen als een
persoonlijk initiatief van Henk van der Tweel, die
net voor 1 januari 1950 werd aangesteld als conservator Medische Fysica. De
eerste jaren werkte Henk van der Tweel alleen, zij
het gesteund door zijn collega’s van het Fysica Lab van de UvA (directeur prof.
J. Clay), dr. H. den Hartog
en dr. F.A. Muller. Na een paar jaar, inmiddels was Jan Strackee eind
1952 als eerste staflid toegetreden, rond 1954, schreef Henk van der Tweel twee nota’s met een plan om tot een Laboratorium voor
Medische Fysica te komen binnen de Medische Faculteit. Deze plannen waren
grotendeels gebaseerd op het advieswerk van de eerste jaren, dat tot de
ontwikkeling van meerdere apparaten aanleiding gaf. De ontwikkeling van
apparatuur leidde op den duur vaak ook tot wetenschappelijke samenwerking. Op
basis van de eerste jaren van Henk van der Tweel en
daarna de inbreng van Jan Strackee kunnen een aantal
karakteristieke onderwerpen en samenwerking worden aangewezen, waarvan de
meeste nog steeds of langere tijd een rol hebben gespeeld. Via Henk van der Tweel: Cardiologie, Oogheelkunde, Instrumentatie,
adviseringswerk en het Medisch Natuurkundig Practicum. Via Jan Strackee: Signaalanalyse, Medische Informatica, computer
ondersteund onderwijs, statistische advisering, beeldbewerking en Medische
Informatiekunde. Voegen wij daar, na de komst van Jos
Spaan in 1988 aan toe: Coronaire circulatie, geïsoleerde bloedvaten, regeling
van de doorstroming en klinische samenwerking, dan hebben wij een goed
overzicht van elementen van 50 jaar Medische Fysica.
F.A. Muller als promovendus 23 mei
1951 en dr. H. Den Hartog

Promotie Henk van
der Tweel 11 juli 1956
Fysiologische beoordeling van kransslagaderlijden
Jan Piek
Coronair-angiografie vormt nog altijd de
gouden standaard in de dagelijkse cardiologische praktijk voor beoordeling van
de ernst van coronaire stenoses. Met de introductie
van voerdraden, voorzien van een druk- of een dopplersensor
aan de tip, werd het mogelijk om de fysiologische ernst van een coronaire
vernauwing te bepalen. De beperkingen van coronairangiografie
voor beoordeling van de ernst van coronaire stenoses
werd snel duidelijk. Met name intermediaire stenoses (40-70% diameter stenose)
zijn matig te beoordelen met behulp van coronair-angiografie,
terwijl dit juist de vernauwingen zijn waarbij klinisch gezien de meeste
twijfel bestaat omtrent indicatie tot behandeling. Intracoronaire
fysiologische metingen zijn niet alleen van belang voor verbetering van de
diagnostiek van coronairlijden, maar uit klinische
studies in het kader van percutane coronaire
interventies is eveneens aangetoond dat deze metingen prognostische betekenis
hebben. Met de introductie van de gecombineerde voerdraden, waarmee simultaan
druk- en stroomsnelheid kunnen worden gemeten, is het mogelijk om metingen bij
patiënten te doen, die tot dan toe alleen mogelijk waren bij dierproeven. De
interpretatie van deze gecombineerde metingen is complex en alleen goed
mogelijk met gebruikmaking van fysiologische modellen van het
regulatiemechanisme van de coronaire circulatie, gebaseerd op experimenteel
onderzoek van enkele tientallen jaren geleden. Deze modelvorming dient dan ook
niet te worden beschouwd als archaïsch onderzoek, maar wint juist aan betekenis
in deze tijd van snelle technologische ontwikkelingen. In dit opzicht ziet de
toekomst van de Medische Fysica er anno 2005 rooskleurig uit m.b.t. de
ondersteuning van het onderzoek bij de diagnostiek en behandeling van patiënten
met kransslagaderlijden.
Enkel, Orthopedie & Medische Fysica
Niek van Dijk
Zo op het eerste gezicht is er geen
directe relatie tussen vakken orthopedie en medische fysica. Alhoewel
biomechanica één van de basisvakken is van de orthopedie heeft een orthopedisch
chirurg beperkte affiniteit met medische fysica. Immers, biomechanica is van ouds ontwikkeld vanuit de mechanica, een vak dat deel uit
maakt van de werktuigbouwkunde. Strikt genomen zou biomechanica onder de natuurkunde moeten vallen, maar een orthopedisch chirurg voelt zich meer werktuigbouwkundige dan
fysicus. In het AMC is de relatie tussen de afdelingen Orthopedie en Medische
Fysica begonnen met de start van het enkelonderzoek door P.H.
Wiersma, die onder leiding van Prof. P.J. Klopper,
hoogleraar experimentele chirurgie en samen met de Afd. Medisch Technische
Ontwikkeling, een methode ontwikkelde om de dynamiek van enkelverzwikking te
onderzoeken. Dit was voor de Afd. Orthopedie de aanleiding tot het ontwikkelen
van enkeltesters waarmee de functie van de enkelbanden klinisch onderzocht kan
worden. Dit heeft geresulteerd in een proefschrift en enkele artikelen van G.M.J.J. Kerkhoffs. De
samenwerking tussen Medische Fysica en Orthopedie heeft zich inmiddels
uitgebreid naar de in-vivo kinematica
van het enkelgewricht (figuur) en het project rond de diagnostiek van
ligamentletsels in de pols en modelvorming van de biomechanica pols, in
samenwerking met Radiologie en Plastische- Reconstructieve- en Hand Chirurgie.
Daarmee is een stukje biomechanica door Orthopedie bij Medische Fysica naar
binnen geschoven.

De talus (top) en calcaneus (onder)
bevatten het subtalaire gewricht. De botten
gereconstrueerd van CT-scans met de intacte, levende voet in inversie (links)
en eversie (rechts). Met 3D CT-reconstructie
kan de in-vivo 'range-of-motion'
van het gewricht berekend worden.